Ze zullen denken dat we engelen zijn
Ik hou van boeken met veel dialoog. Dialogen geven vaart aan een verhaal en maken dat je het gevoel hebt dat je je verbonden voelt met de personages. Hoewel het er soms eenvoudig uitziet, is het schrijven van een dialoog helemaal niet zo gemakkelijk. Nu ik weet hoe lastig het is een sterke dialoog te schrijven, kan ik echt genieten van hoe een andere schrijver dat doet. Zo bewonder ik de kale dialogen van Bert Natter in Ze zullen denken dat we engelen zijn. Zijn dialogen zijn als een aangeharkte voortuin van een ontwricht gezin: van buiten ziet het er allemaal heel normaal uit, maar wie de situatie kent, voelt de spanning.

Ze zullen denken dat we engelen zijn gaat over Alfred die een terroristische aanslag op een terras overleeft. Hij zat daar samen met Prunella, die hij die dag op het terras heeft ontmoet. Het verhaal gaat over de manier waarop deze gebeurtenis doorwerkt in het leven van Alfred. In dit vanuit het ik-perspectief geschreven verhaal heb je het gevoel dat je Alfred goed leert kennen. Juist wanneer je denkt dat je weet hoe Alfred in elkaar zit, onthult de schrijver een stukje informatie over Alfreds verleden en verschuift het beeld dat je van Alfred had. Dat gebeurt in het boek nog een paar keer en dat maakt het verhaal verontrustend en spannend. De dialogen ondersteunen die spanning.

Gedachten
Bert Natter schrijft dit verhaal in korte zinnen met veel op het oog eenvoudige dialoog. Dat biedt een goed tegenwicht voor het best wel zware thema. Wat ik interessant vind, is dat Natter hoofdpersoon Alfred heel erg laat nadenken over wat hij zegt en dat de uitgesproken woorden haaks staan op Alfreds gedachten. Alsof Alfred tegelijkertijd acteur en toehoorder is. Dit maakt ons deelgenoot van de gevoelens van Alfred zonder dat Natter daar een letter aan wijdt. Een mooi voorbeeld is de dialoog tussen hoofdpersoon Alfred en Jon van Slachtofferhulp tijdens een huisbezoek. Alfred heeft Jon liever niet op bezoek, maar durft geen nee te zeggen. Na een introductie zegt Jon:

‘Je mag het best uitgebreid vertellen. Neem je tijd. Belicht wat voor jou belangrijk is. Ik luister. Ik oordeel niet. Stel je mij maar voor als een groot oor.’ (…)
Onder de huidige omstandigheden, zulke woorden gebruik ik, ik weet niet precies wat ik zeg, maar het komt erop neer dat ik erin slaag het gebeurde een plaats te geven. Dat lijkt me een uitstekende uitdrukking. Ik doe natuurlijk niet alsof het me allemaal niets kan schelen, maar ik probeer duidelijk te maken dat ik geen hulp nodig heb, zonder dat met zoveel woorden te zeggen.
Tegelijkertijd lijkt het me beter om niet te pretenderen dat het fantastisch met me gaat, want dan zou ik naar zijn idee de klap nog moeten krijgen.
Daarom geef ik toe dat ik enorm ben geschrokken en vertel ik dat ik dankzij een gelukkig toeval vakantie heb, zodat ik langzaam de draad van mijn leven weer kan oppakken en ‘weer lekker in mijn vel ga zitten’.
Ik ben iemand die zijn taal spreekt. (…)
‘Ik voel dat ik ergens de veerkracht heb om hieruit te komen.’

 

Spanning
In alle boeken over het schrijven van dialogen staat dat je prietpraat in je roman moet vermijden. Hoewel de dialoog realistisch over moet komen, is bijvoorbeeld het exact overnemen van een dialoog in de bus of trein niet aan te raden. Een dialoog in een roman is nooit helemaal hoe het in het echt gaat, maar je moet toch het gevóél hebben dat het een dialoog is die echt zou kunnen gebeuren. Het interessante aan de roman van Natter is dat hij die regel min of meer negeert en juist heel veel prietpraat in zijn roman stopt. En toch is het hier niet storend. Sterker nog: juist het onzinnige gebabbel versterkt in dit verhaal datgene wat niet uitgesproken is en dat creëert spanning.
Een voorbeeld is de dialoog tussen Alfred en zijn beste vriend Peter, de eigenaar van het café tegenover Alfreds huis. Na de aanslag gaat Alfred niet naar huis maar naar zijn beste vriend, de enige persoon in zijn leven waar hij zich vertrouwd bij voelt.

Peter roept uit het keukentje achter de bar: ‘Alfred?’
‘Ja,’ roep ik terug.
‘Ik ben even bezig, kom eraan. Koffie?’
‘Graag.’
Van de bar loop ik naar het scherm waarop normaal voetbal, schaatsen en wielrennen worden vertoond. Daar op dat plein moet ik te zien zijn.
Waar ben ik? Zit ik al op het terras? Of ben ik nog onderweg naar het plein? Daar loop ik. Nee, toch niet. Het is een man die op mij lijkt.
Peter staat naast me met een mok.
‘Dank je,’ zeg ik en ik draai me naar hem toe.
‘Gaat het?’ vraagt hij. Hij geeft me de koffie, in zijn andere hand heeft hij een theedoek. ‘Wat is er gebeurd?’
‘Ik…’ zeg ik. ‘Ik kom uit de stad.’ Ik wijs naar het scherm. ‘Ik zat op het terras, daar.’
(…)
‘Dat is niet goed voor het scherm,’ zegt Peter.
‘Het spijt me, zeg ik en ik haal mijn vinger weg.
‘Maakt niet uit,’ zegt hij. ‘Sorry. Was je daar echt? Man, ik kan het niet geloven.’
‘Daar,’ zeg ik en ik wijs de plek aan waar Prunella net nog stond. Het is te laat, want opeens loopt er als de staart van een komeet een spoor van onherkenbaar gemaakte lichamen over het plein.’
’Nee…’ fluistert Peter. Hij slaat de theedoek over zijn schouder.

 

En zo gaat het door. Korte weinig zeggende uitspraken. Alsof de schrijver de onmacht van Alfred en zijn vriend wil laten zien, want wat valt er te zeggen op zo’n moment?

Nou ja, dat vind ik dus leuk: kijken hoe andere schrijvers dat doen en welk effect dat heeft op mij als lezer. Dat help me om de dialogen in mijn eigen boek scherper te maken. Niet door na te doen wat een ander doet, want ik schrijf nu eenmaal op mijn eigen manier, maar doordat het me meer inzicht geeft in de verschillende manieren waarop een verhaal zich laat vertellen.

 

1000 Resterende tekens