Een beetje rapport is minstens vijftig pagina's
Boeken schrijven is mijn belangrijkste tijdverdrijf op vrije dagen en in weekends, maar ik verdien er niet mijn dagelijkse boterham mee. Ik weet ook niet of ik dat zou willen, want schrijven kan soms eenzaam zijn. Daarom ben ik blij met mijn parttime baan bij de Rijksoverheid. De interactie met collega’s en met ondernemers verruimt mijn blik en biedt de afwisseling die ik nodig heb om later weer met frisse blik naar mijn verhaal te kunnen kijken. Omgekeerd helpt mijn passie voor schrijven me in mijn werk. Ik kan het niet laten me bij elke tekst af te vragen of het niet duidelijker kan, eenvoudiger, boeiender.

Jip en Janneke
De Rijksoverheid doet haar best haar boodschap op websites en in teksten naar buiten toe in Jip-en-Janneketaal uit te leggen. B1-niveau heet dat. Alle webteksten moeten begrijpelijk moeten zijn voor mensen met weinig opleiding. Soms tenenkrommend, want een zin zoals deze is al veel te lang voor een tekst op B1-niveau en alleen maar korte zinnen zijn dodelijk voor een mooi ritme in een tekst. Toch vind ik het streven naar begrijpelijke teksten een uitstekend idee. Helaas strekt de ambitie helder te schrijven zich niet uit tot interne mails, notities en memo’s. Wij ambtenaren vallen elkaar graag lastig met vage begrippen en langdradige rapporten waarvan je ongestraft de eerste tien pagina’s kunt overslaan.

Vaagtaal
Een beetje rapport is minstens vijftig pagina’s lang en staat bol van woorden die pas betekenis krijgen als je de context kent. Denk aan termen als transitieproces, nulmeting, tijdshorizon en schaduwberekening. En dan zijn er nog de begrippen die iedereen gebruikt, maar waarvan niemand precies weet wat het betekent. Circulaire economie bijvoorbeeld. Het klinkt natuurlijk een stuk beter dan een niet-circulaire economie, maar hoe ziet een maatschappij met een circulaire economie er precies uit? Een waterschap denkt daarbij aan het terugwinnen van energie en grondstoffen uit afvalstromen. Voor veel ondernemers is het overschakelen op duurzame energiebronnen al heel circulair. Beleidsmakers beogen juist het ontwerpen van producten waarvoor minder en recyclebare grondstoffen nodig zijn. Tja, dat krijg je ervan als je vage termen introduceert.

Cultuur
En laat ik eerlijk zijn: natuurlijk doe ik er zelf ook aan mee. Elke organisatie heeft nu eenmaal zijn eigen cultuur en daar hoort een bepaald vocabulaire bij. Als een voetbaltrainer voortdurend uit moet leggen wat hij bedoelt met een vrije trap, dan schiet het spel niet op. Zoals een speler in een voetbalteam moet weten wat de coach bedoelt met ‘meer naar achteren spelen’, zo moet een rijksambtenaar weten wat SMART-doelstellingen zijn of wat het nut is van prestatie-indicatoren. En toch kunnen veel teksten enorm opknappen van wat begrijpelijke taal. Nu ik naast mijn baan meer bezig ben met schrijven, merk ik dat het me gemakkelijker afgaat heldere mails en memo’s te schrijven. Ik kies sneller voor een synoniem, probeer vage begrippen te omzeilen en introduceer heel af en toe zelfs beeldspraak.

To the point
Omgekeerd helpt het schrijven van zakelijke mails of persberichten en me bij het schrijven van fictie. In een persbericht ben ik vaak gebonden aan een maximaal aantal woorden, wat me dwingt om in een korte tekst mijn duidelijk te maken. En in de eerste zinnen van een mail moet duidelijk zijn wat de lezer hiermee moet, zodat mijn minder geduldige collega’s kunnen besluiten of deze mail hun kostbare tijd waard is of niet. Meteen ter zake komen dus. In fictie kan dat ook heel goed werken. Geen oeverloze beschrijvingen van het landschap, maar in zo weinig mogelijk woorden een beeld neerzetten waarin de lezer zich herkent; een sfeer scheppen die de lezer meevoert naar een tijd en plek ver van hier.

Als je het zo bekijkt is het helemaal niet erg dat mijn baan zoveel van mijn schrijftijd opslokt. Bij het schrijven van al die notities doe ik belangrijke ervaring op voor mijn boek. De vage termen neem ik op de koop toe.