De restanten van het kasteel van La ClamosaEen van de mooiste dorpen die ik deze zomer bezocht in het kader van mijn nieuwe boek is La Clamosa. Dit sinds de zestiger jaren verlaten dorp, hoog op de helling langs het stuwmeer van El Grado, moet in het verleden spectaculair zijn geweest. Het kasteel uit de 11e eeuw is nu bijna geheel ingestort, maar was ooit een machtig bolwerk dat La Clamosa beschermde tegen de kou uit het Noorden en onderdeel uitmaakte van een netwerk van vestingen van koning Sancho de Grote van Pamplona.

Verdronken bos
De hellingen rond het stuwmeer van El Grado zijn bezaaid met verlaten dorpen. We zetten onze tent op aan de noordkant van het gigantische stuwmeer, dat 400 miljoen kuub smeltwater kan opvangen. Daar huren we kano’s waarmee we over het heldere water peddelen. De kleur van het meer is schitterend blauw. Dat komt door de kalksteenkristallen, afkomstig van de veel noordelijker gelegen Monteperdido, het hoogste kalksteenmassief van Europa.

Onze kano’s glijden langs de met bomen begroeide oevers. Soms varen we dwars door de witgebleekte, kale boomkruinen, de restanten van een onder het wateroppervlak verdwenen bos. Na een uurtje peddelen bereiken we de inham waarvandaan een wandelpad naar het hoog op de helling gelegen dorp La Clamosa slingert. Vanaf het stuwmeer ziet het er helemaal niet vervallen uit. In de zomerse hitte klimmen we naar boven. We stoppen af en toe om de rijpe bramen te plukken, de mooie vlinders te bewonderen en de geur van rozemarijn op te snuiven. Het lijkt erop dat hier zelden iemand komt.

Het dak van de kapel in het kasteel is ingestort
Uitzicht

Wat van beneden nog zo’n uitgebreid dorp leek, is van dichtbij een verzameling met stekelbrem en braam overgroeide groep ruïnes. De daken van het kasteel zijn ingestort en de puinhopen versperren ons de weg, maar het uitzicht maakt veel goed. Vanaf het plateau waarop het kasteel staat, hebben we een spectaculair zicht op het helderblauwe stuwmeer van El Grado en de bergen eromheen. In de verte naar het noorden zijn de toppen van de hoge Pyreneeën zichtbaar. Als je goed kijkt, zie je zelfs wat plukjes sneeuw tegen de hoge pieken. De aangename bries hierboven is heerlijk na de zweterige klim en ik zou hier uren kunnen blijven, maar het is al na vieren en we moeten ook nog terug.

We wagen een korte blik in de kapel van het kasteel. Ook hiervan blijkt het dak grotendeels ingestort. De toren staat er nog en een op het oog redelijk intacte trap wentelt naar boven toe. Na een korte inspectie lijkt het ons niet verstandig hierover naar boven te klimmen, dus bedwingen we onze nieuwsgierigheid en banen we ons een weg door de dichte begroeiing naar een iets buiten het dorp gelegen kapelletje. Eindelijk een gebouw waarvan het dak nog intact is. De muurschilderingen zijn nog helder van kleur en zelfs het altaar is nog bijna helemaal goed. Als we een foto nemen van het beschilderde plafond, schrikken we per ongeluk een familie vleermuisjes op. Snel vertrekken we weer en zodat de fladderende beestjes tot rust kunnen komen.

Eindelijk een gebouw met een dak erop
Op zoek naar pioniers

Terug op de camping maak ik de balans op. We hebben nu enkele tientallen verlaten dorpen van dichtbij of van veraf bekeken, allemaal verschillend en allemaal fascinerend, maar voor mijn boek ben ik op zoek naar mensen die er weer zijn gaan wonen, mensen die de drukke steden, de moderne maatschappij de rug toe hebben gekeerd om een nieuw bestaan op te bouwen, het verval van de huizen een halt toe te roepen en de ruïnes om te vormen tot een woning. In slechts twee van de tot nu toe bezochte dorpen zijn nieuwe bewoners neergestreken. Eén daarvan was Sasé en in de andere, eveneens in de Solana-vallei, troffen we op dat moment geen van de bewoners van de kleine, provisorische onderkomens, verscholen tussen de bouwvallen. En dan reken ik de tot koeienstal gebombardeerde kerk van La Corte niet mee.

Het is tijd voor deel twee van mijn onderzoek. En voor een tolk, want met mijn gebrekkige Spaans kom ik niet ver.

- wordt vervolgd