Kapot geschoten huis in Janovas
Op mijn zoektocht naar verlaten dorpen, het decor van mijn volgende boek, dring ik steeds dieper door in de Spaanse Pyreneeën. We rijden dwars door de regio Aragón naar het plaatsje Fiscal, de meest westelijke plaats in de Solana-vallei. Het lot van de bewoners in deze vallei is het beste te vertellen aan de hand van de trieste geschiedenis van Janovás, de plaats waar een torenhoge stuw moest komen voor een gigantisch drinkwaterreservoir en waterkrachtcentrale.

Honderdvijftig families uit de Solana-vallei verlieten in de zestiger jaren hun huis vanwege de plannen voor de stuw. Veel daarvan woonden in het Middeleeuwse Janovás (spreek uit als Ganobás). Dit was dan ook geen afgelegen bergdorpje, maar een plaats met een belangrijke functie voor de hele vallei en daarbuiten. De nabijheid van de rivier bood ideale omstandigheden voor veeteelt en landbouw en de doorgaande weg verbond het dorp met andere plaatsen. In tegenstelling tot de andere dorpen in de vallei was Janovás zelfs voorzien van elektriciteit. Toen de regering rond 1960 begon met de onteigening, ondervond zij dan ook meer weerstand dan zij gewend was.

Kogelgaten
Kogelgaten in de muren van huizen in Janovas
Elektriciteitsbedrijf Iberduero was belast met de taak het stuwmeer in de Solana-vallei te realiseren. Omdat de inwoners zich niet zomaar uit hun huizen lieten verdrijven, startte deze organisatie een intimidatiecampagne. De reeds verlaten huizen werden opgeblazen met dynamiet zonder de daarvoor noodzakelijke veiligheidsmaatregelen te nemen en de elektriciteit werd afgesloten. Op 4 februari 1966 sleurde men de lerares van de plaatselijke school aan haar haren uit het schoolgebouw en verwijderde ruw alle kinderen uit het lokaal. Irrigatiekanalen werden vernietigd en boomgaarden vernield. Het kwam zelfs tot een gewapend conflict. Bij ons bezoek aan Janovás zagen we de kogelgaten nog in de muren zitten. Toch hielden de laatste bewoners stand tot ver in de jaren ’80.

De verdreven bewoners gaven de strijd tegen het stuwmeer niet op. Zij richtten een bewonersvereniging op en begonnen een juridische strijd tegen de overheid. De bouw van de stuw was nadelig voor de biodiversiteit in de vallei en kon leiden tot een toename van aardbevingen in het gebied, betoogden ze. En de rechter gaf hen gelijk. In andere valleien waar stuwmeren waren gerealiseerd was inderdaad een toename meetbaar van kleine aardbevingen en de ecologie van de Pyreneeën werd belangrijker naarmate het toerisme toenam.

Herbouw
In 2005 besloot de regering af te zien van de bouw van de stuw en gaf het dorp terug aan de bewoners. Dat wil zeggen: aan diegenen die nog in leven waren. Inmiddels waren de huizen volledig onbewoonbaar geraakt, voor zover ze niet opgeblazen waren. De agrarische gemeenschap in de regio trok zich het lot van Janovás aan en financierde samen met de bewonersvereniging de herbouw van de kerk, het dorpshuis en de school. Na de reconstructie van deze symbolisch belangrijke gebouwen, moet ook de rest van Janovás uit de as verrijzen. Daarvoor is nog veel meer geld nodig, zo werd ons duidelijk tijdens ons bezoek door het meest naargeestige van alle verlaten dorpen die we tot nu toe hadden gezien.

Het geld is op en de initiatiefnemers van de herbouw proberen nu via giften van particulieren het project vlot te trekken. Overal staan borden met een oproep tot donatie. Dat heeft kans van slagen volgens mij, want het dorp trekt veel toeristen en ook pelgrims nemen er een kijkje omdat de pelgrimsroute naar Santiago de Compostella er langs loopt. Bij ons overheerst de treurige sfeer van gebeurtenissen in het verleden. Wij keren de hijskranen en cementmolens de rug toe en gaan op zoek naar andere dorpen in deze vallei.


- wordt vervolgd -