verlaten dorp Tiermas
Mijn zoektocht naar verlaten dorpen begint bij het stuwmeer van Yesa. Begin augustus staat het water in het stuwmeer nog te hoog, maar later in het jaar komt ergens in het midden van het meer de spits van de kerktoren boven water. Dat is zo’n beetje de enige informatie die ik loskrijg van de dame van het Officina de turismo in Javier. Verontschuldigend legt ze uit dat het stuwmeer zich in de regio Aragon bevindt en hoewel de grens tussen Navarro en Aragon nog geen tien kilometer verderop ligt, heeft zij helaas alleen informatie over Navarro. Ze vindt het wel interessant dat ik een boek schrijf waarin verlaten dorpen een rol spelen en schakelt moeiteloos over naar de kloof van Lumbier met de grootste gierenpopulatie van de regio. Daar moeten we echt eens gaan kijken.

Gelukkig had ik thuis informatie gezocht op internet. Net als veel andere kunstmatige meren in de Pyreneeën dient ook het meer van Yesa als drinkwaterreservoir voor de zuidelijker gelegen steden. In 1959 was de stuw bij Yesa gereed en liep de bovenstroomse vallei vol water. Als gevolg daarvan verloren zo’n veertienhonderd mensen hun akkers, hun weiden voor het vee en daarmee hun middelen om in hun levensonderhoud te voorzien. De bewoners in de lager gelegen delen van de vallei moesten bovendien toezien hoe hun ouderlijk huis, het huis waar hun ouders, grootouders en de vele generaties voor hen waren opgegroeid, onder het wateroppervlak verdween.

Escó
Een van de dorpen op de hellingen van de Yesa-vallei is het middeleeuwse dorp Escó. Dit dorp , dat koning Garcia Sanchez de derde in het jaar 1047 cadeau deed aan het klooster van Leire, was ooit van groot strategisch belang. Het lag op de grens tussen twee grootmachten: eerst tussen de Visgoten en de Arabieren en later tussen Aragon en Navarro. In 1953 werd het dorp, dat kort daarvoor nog 250 inwoners had, onteigend omdat het stuwmeer de vruchtbare grond zou opslokken waarop de inwoners van Escó hun vee lieten grazen en hun voedsel verbouwden. Nu woont er alleen nog een herder die zijn schapen in de omgeving laat grazen en leeft van de verkoop van de lammeren voor de in Spanje populaire chuletas de cordero (lamskoteletjes).

Ruësta
Aan de zuidelijke oever van het stuwmeer ligt het dorp Ruësta, gesticht in het jaar 904. Dit dorp was twee maal zo groot als Escó dankzij de vruchtbare landbouwgrond waarop de inwoners van het dorp gewassen als aardappelen en tarwe verbouwden en fruit teelden. Het dorp kwam na de onteigening in handen van de Hydrografische Confederatie van de Ebro, de overheidsorganisatie die gaat over de waterhuishouding in Spanje. Jarenlang hadden wind en regen vrij spel en dak na dak stortte in. Tot de Arbeidersvereniging het dorp onder haar hoede nam en er samen met een vereniging van architecten een herbouwprogramma startte. Inmiddels zijn enkele huizen herbouwd en heeft het dorp een culturele bestemming gekregen. Het kasteel uit de 11e eeuw is uitgeroepen tot architectonisch erfgoed en dankzij de ligging langs de pelgrimsroute naar Santiago de Compostella beschikt het dorp zelfs over een herberg.

Hoewel ik beide dorpen graag zou bezoeken, moet ik keuzes maken. We hebben niet veel tijd meer (omdat we toch maar naar die kloof in Lumbier zijn gegaan, dus ik besluit alleen het aan de noordelijke oever gelegen Tiermas te bezoeken. Van deze middeleeuwse badplaats ligt slechts een deel nog boven water. Het grootste deel ligt op de bodem van het stuwmeer. Als we nog even verkoeling zoeken in het heldere water van het stuwmeer, vraag ik me af hoeveel huizen, wegen en boomgaarden zich in de diepte verschuilen. Toch een gek idee.


-wordt vervolgd-