Clamosa1 klein
Waar twintig jaar geleden nog een eindeloos kronkelende, slecht onderhouden weg door de Spaanse Pyreneeën slingerde, ligt nu een vierbaans snelweg met efficiënte, kilometerslange tunnels die ons in enkele uren van San Sebastián aan de Spaanse noordkust naar het stuwmeer van Yesa, ruim honderd kilometer oostelijker, brengt. Veel vroeger dan verwacht arriveren we bij een klein hotelletje in het nabij gelegen dorp Janvier. De hotelkamer met eigen badkamer is modern en doet in geen enkel opzicht meer denken aan de Spaanse hotelkamers uit mijn jeugd met zo’n rolkussen voor in je nek en behang dat doorloopt over de deur, zodat je geen idee meer hebt waar je bent binnengekomen.

Camino de Santiago
In haar ambitie het welvaartsniveau op te krikken tot dat van de andere EU-landen, heeft het Spanje van nu een flinke inhaalslag gemaakt, waarbij de Spaanse mañana-cultuur plaats heeft gemaakt voor een efficiënte en moderne economie. Dat proces beschrijft Ben Tideway in zijn boek Gone to Aragon (on a one way trip), een prachtig portret van de ontwikkeling van een klein dorp in Aragon sinds de 80-er jaren. Misschien heeft mijn indruk van de toename van welvaart in dit gebied ook te maken met onze route die toevallig precies tegengesteld loopt aan de pelgrimsroute Camino de Santiago. Twee weken lang komen we overal bordjes tegen die pelgrims de weg wijzen naar Santiago de Compostella en op onze route vinden we het ene Jezusbeeld na het andere.

Verlaten dorpen
kerkje
Maar onze missie is een hele andere. Niet de bewoonde en opgeknapte dorpjes en kerkjes langs de Camino hebben onze belangstelling. Het doel van onze reis zijn juist de dorpen diep in de bergen, ver van de begaanbare wegen; dorpen die in de 60-er jaren door de oorspronkelijke bewoners zijn verlaten en nu langzaam opgaan in het betoverende landschap. Of, en dat vind ik minstens zo interessant, ontdekt door kleurrijke mensen die het dorp nieuw leven inblazen, huizen opknappen, water en elektriciteit naar het dorp brengen en een nieuwe sociale gemeenschap opbouwen. Dat is het decor van mijn volgende boek.

Voorafgaand aan deze reis heb ik thuis een route uitgestippeld en de dorpen opgezocht die ik graag wil bezoeken. Geen eenvoudige klus, want de boeken die over deze dorpen zijn geschreven, zijn geheel Spaanstalig en veel van deze dorpen staan niet (meer) op de kaart. Maar met het woordenboek ernaast en de hulp van mijn vloeiend Spaans sprekende zus en zwager, die bovendien jarenlang in zo’n verlaten dorp hebben gewoond, kom ik een heel eind. Al snel wordt me duidelijk dat er genoeg te kiezen valt, want alleen al de regio Aragón telt ruim tweehonderd verlaten dorpen, stille getuigen van de roerige geschiedenis van dit gebied.

Ik kies uiteindelijk voor een aantal dorpen op redelijk te bereiken plekken en in verschillende stadia van verval. En omdat het ook een prachtig gebied is, heb ik er een gezinsuitje van gemaakt. Een gelukkige keuze blijkt later, want tot mijn verrassing raken ook de andere gezinsleden gefascineerd door deze bijzondere plekken, die vijf decennia geleden door hun bewoners zijn achtergelaten om door de natuur te worden opgeslokt.

We verlaten de moderne vierbaans snelweg en slaan oude kronkelwegen in op zoek naar het Spanje van Franco, het Spanje waarin de tijd ergens in de zestiger jaren stil is komen te staan.


-wordt vervolgd-