Ambachtsschool3
Zoals ik in deel 1 van deze blogpost al vertelde, heeft het onderzoek voor mijn debuutroman me nieuwe inzichten opgeleverd over de omstandigheden waaronder ondernemers in de Tweede Wereldoorlog moesten werken. Uiteraard viel hun misère in het niet met die van de Joden, van de mensen de honger leden of van de ongelukkigen die in de Duitse concentratiekampen terechtkwamen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat er veel minder is geschreven over dit aspect van de Tweede Wereldoorlog. Graag deel ik met je wat ik te weten kwam over ondernemers in de periode na de Bevrijding.

 

3. Arrestaties van collaborateurs na de oorlog
De haat jegens de Duitsers was groot en nog voordat Nederland geheel bevrijd was, werden er in de bevrijde gebieden op grote schaal mensen gearresteerd. NSB-ers en Nederlandse burgers die Joden verrieden of illegale activiteiten meldden aan de Duitsers, moesten voor hun daden boeten. Iedereen die op de een of andere manier de Duitsers had geholpen, moest worden bestraft. In afwachting van een gedegen onderzoek werd elke burger die door een willekeurige dorpeling was aangewezen als slechterik, opgepakt en opgesloten.

Al snel werd duidelijk dat er veel meer gevangenen waren dan was voorzien. Naast NSB-ers en landverraders werden er heel veel zelfstandigen en ondernemers opgepakt die opdrachten voor de Duitsers hadden geaccepteerd. De gevangenen werden gehuisvest in gebouwen als kazernes, gevangenissen en zelfs scholen, die daarvoor haastig in gereedheid waren gebracht. In de zomer van 1945 puilden deze provisorische detentiecentra uit en op sommige plaatsen was er zelfs gevaar voor het uitbreken van besmettelijke ziektes.

Toen de situatie in de detentiecentra na de zomer van 1945 onhoudbaar werd, besloot de regering dat de lichte gevallen vrijgelaten moesten worden. Een probleem was wel dat de wetgeving op grond waarvan het bedrijfsleven kon worden berecht en ook de gerechtelijke apparaten die dat moesten gaan uitvoeren nog moesten worden opgericht. De opluchting van ondernemers die op vrije voeten werden gesteld, was van korte duur. De meesten kregen later nog een flinke boete opgelegd toen de tribunalen op stoom kwamen. Aangezien de functie van OM en rechter in die tribunalen samenviel, kon er geen bezwaar worden gemaakt tegen de veroordeling.

4. Vermogensaanwasbelasting
Na de Bevrijding kampte Nederland met enorme financiële problemen. Daarom bereidde de ministers nog voor de Bevrijding een feit was, een wet voor waarmee het tekort kon worden aangevuld. De inflatie moest worden tegengegaan door al het contante geld ongeldig te verklaren en nieuw geld te drukken. Maar dat was niet voldoende om de staatskas weer te vullen. Daarom kwam er in maart 1946 een nieuwe wet waarmee belasting werd geheven op in de oorlog verkregen winst. Er werden heffingen berekend van 50 tot 70% over de winst die ondernemingen in de oorlogsjaren vergaarden. En voor ondernemers die zich schuldig hadden gemaakt aan zwarthandel of werken voor de vijand gold een belastingtarief van 90%, berekend over het vermogen in 1945 minus het vermogen in 1940.

Voor ondernemingen die tijdens de oorlog in omvang waren gegroeid, betekende dit dat er geld moest worden vrijgemaakt uit materieel en vastgoed om de belastingen te betalen. Zelfstandigen die na de oorlog vast hadden gezeten, al of niet terecht, hadden dus drie grote schadeposten: de extra belastingen, een boete wegens collaboratie en de maanden inkomstenderving tijdens detentie. Het zal viel niet meegevallen zijn om dat te boven te komen.