GraafmachineOf misschien moet de titel zijn: vier dingen die ik nog niet wist, want misschien wist jij dat allemaal wel. Ik heb best veel boeken gelezen die gaan over de Tweede Wereldoorlog. Vaak gingen die over de Jodenvervolging of over de Hongerwinter. Belangrijke en boeiende onderwerpen in de geschiedenis natuurlijk, maar toen ik onderzoek deed voor mijn boek ontdekte ik een aantal dingen waar ik nauwelijks iets van wist, maar die wel veel invloed hadden op het leven van gewone mensen. Deze week deel ik er twee met je. Volgende week volgen de andere twee in deel 2.

1. Chantage en bunkerbouwers

Vlak na de capitulatie van Nederland was het een bestuurlijk zootje in Nederland. De koningin en de regering vluchtten naar Engeland en het dagelijks bestuur kwam in handen van de ministeries, die voortaan orders kregen van de Duitse bezetter. Tegelijkertijd zaten Nederlandse ondernemers meteen met een aantal lastige vragen: welke activiteiten kunnen nu gewoon doorgaan en welke activiteiten worden gezien als hulpverlening aan de bezetter. Stel je was bakker en je leverde altijd brood aan de kazerne. Van de ene op de andere dag was de kazerne niet meer met Nederlandse maar met Duitse soldaten gevuld. Wat betekende dat voor jou als bakker? Mocht je je brood blijven leveren aan de kazerne of moest je op zoek naar andere klanten?

Ondernemers stelden die vragen aan de lokale overheid en aan hooggeplaatste ambtenaren, maar het duurde een poos voor daar een duidelijk antwoord op kwam. In het oorlogsreglement stond dat de bezetter recht had op onderdak, maar wat hield dat in? Kost en inwoning? Of ook recht op faciliteiten, zoals transport over de weg? Door de lucht? Recht op een vliegveld? Veel Nederlandse bouwbedrijven werden door de Duitsers gesommeerd onmiddellijk aan de slag te gaan met het bouwen van bunkers en het herstel van wegen en vliegvelden. Daar werd bij vermeld dat weigering zou leiden tot tewerkstelling in Duitsland en in beslagname van materieel. Je moest als ondernemer wel sterk in je schoenen staan om te weigeren en het risico te lopen dat je werknemers en jijzelf ver van huis dwangarbeid zouden moeten verrichten.

Daar kwam bij dat de Duitsers die eerste maanden een charme-offensief voerden, waardoor ze veel Nederlanders op het verkeerde been zetten. Dit waren geen beesten, maar beschaafde oosterburen toch? Als iedereen een beetje mee zou werken, hoefde het allemaal niet zo erg te zijn, zo’n oorlog. Dat was tenminste de stemming op dat moment. Er was immers pas vijf dagen oorlog gevoerd en er was nog niet eens duidelijk hoeveel slachtoffers daar eigenlijk bij gevallen waren. Pas veel later werd duidelijk wat de plannen van de Duitsers precies waren en welke impact dat had op de Nederlandse maatschappij, maar toen hadden veel ondernemers hun keuze al gemaakt.

2. Bouwmaterialen geconfisqueerd
Ondernemers in de bouw hadden nog een ander probleem: de levering van beschikbare bouwmaterialen kwamen onder supervisie van de bezetter. Die bepaalde dat bouwmaterialen uitsluitend mochten worden ingezet voor activiteiten waaraan de Duitsers goedkeuring hadden verleend. Gedurende de oorlogsjaren werden bouwmaterialen, net als alle andere materialen en goederen, schaarser en werd het voor ondernemers in de bouw steeds lastiger om de kost te verdienen. Ondernemers die niet voor de Duitsers wilden werken en geen door de bezetter goedgekeurde opdrachten konden bemachtigen, moesten hun activiteiten staken wegens tekort aan bouwmaterialen of moesten hun activiteiten in de illegaliteit voortzetten. In beide gevallen moesten ze daar na de oorlog de rekening voor betalen en daarover gaat deel 2 van ‘Vier dingen die je nog niet wist over WO II’, die ik volgende week online zet.

1000 Resterende tekens