zeggen wat je denkt
In de eerste weken na de zomervakantie had ik eindelijk weer eens meer tijd om aan mijn boek te schrijven. Hoe meer het verhaal vorm kreeg, hoe duidelijker de rode draad zichtbaar werd. En laatst, zomaar tijdens het vouwen van de was, stond me ineens heel duidelijk het centrale thema voor ogen. Het begon met een de voorbereiding van een workshop voor ‘De Week van de Diversiteit’. Mijn werkgever, het ministerie van Economische Zaken, besteedde deze week aandacht aan diversiteit in de eigen organisatie met allerlei activiteiten. Het ging over verschillen in seksuele geaardheid, over cultuurverschillen en over collega’s met lichamelijke en geestelijke beperkingen.

Het thema was dit jaar was: ‘Een goed gesprek’. Mijn collega-vertrouwenspersonen en ik wilden graag een bijdrage leveren aan de organisatie en besloten een workshop in elkaar te zetten. Ons doel was handvaten te bieden voor wie collega’s aan wil spreken op ongewenst gedrag, maar dat niet goed durft. Het moest natuurlijk wel te maken hebben met diversiteit. In de voorbereiding wisselden we ervaringen uit. Zo had de een wel eens een gesprek gehad met een oudere medewerker die door de leidinggevende op een zijspoor was gezet en had de ander iemand bijgestaan die vanwege zijn culturele achtergrond de ene na de andere opmerking kreeg.

Aan mij de taak een fictieve case te verzinnen over iemand die op grond van seksuele voorkeur opmerkingen krijgt van collega’s. Ik ging te rade bij een lesbische collega. ‘Weet je, Monique,’ zei ze, ‘het is allemaal niet kwaad bedoeld en je kent me, ik heb mijn antwoord meestal wel klaar, maar soms ben je het gewoon helemaal zat. Opmerkingen zoals ‘Wie is bij jullie nou het mannetje en wie het vrouwtje?’ of ‘Wat vinden je ouders daar nou van?’ Je wilt niet weten hoe vaak ik dat heb gehoord. Ik vraag jou toch ook niet wat jouw ouders van jouw man vinden?’

Dat zette me aan het denken. Met oprechte interesse in een ander is niets mis, maar in dit soort vragen klinkt nog iets anders door. Naast een bijna onbehoorlijke nieuwsgierigheid beluister ik ook een oordeel van de vragensteller. Vooroordeel zelfs. Staan we wel voldoende stil bij wat we aanrichten met onze snel bedachte, ongefundeerde meningen over de ander? Nemen we in deze steeds sneller voortrazende wereld nog wel de tijd om ons echt te verdiepen in de ander? Een foto of tekstberichtje op social media vraagt om directe actie; niet om doorvragen, verifiëren of je informatie wel klopt. Bedachtzaam reageren is iets voor bejaarden. Als je gehoord wilt worden, moet je snel je mening geven. Genuanceerde reacties zijn saai en slaapverwekkend. Toch?

vooroordeel
Het verrast me hoe duidelijk mijn vragen al in de conceptversie van mijn boek aanwezig zijn. Deze week besloot ik dat ik in mijn boek wil laten zien wat razendsnel gevormde meningen op grond van halve waarheden met iemand kunnen doen. Mijn hoofdpersonage is zelfs zo uit het lood geslagen dat ze de negatieve beeldvorming over haar ontvlucht. Ze emigreert naar een verlaten dorp in Spanje, een plek waar niet social media, maar de wisseling van de seizoenen en de dynamiek van een kleine dorpsgemeenschap het leven beheersen. In dit verlaten dorp strijken nieuwe bewoners neer, mensen met verschillende nationaliteiten, uiteenlopende overtuigingen en zonder uitzondering kleurrijke verschijningen. Samen herbouwen ze de huizen, organiseren gezamenlijke voorzieningen zoals elektriciteit en water.

Net zoiets als in een organisatie dus, waar je met een grote verscheidenheid aan collega’s een doel wilt bereiken. De workshop afgelopen week was een succes. De deelnemers en ik kwamen tot de conclusie dat je je collega’s aan mag spreken op hun gedrag, op kwetsende opmerkingen. We bespraken hoe je zo’n gesprek aan kunt pakken en hoe je dreigende conflictsituaties in de kiem kunt smoren. Ik ben er trots op dat ik daar als vertrouwenspersoon een bijdrage aan heb mogen leveren.